Ze fietst naar huis.
Dwars tegen de wind in, de wind waait zo hard… Naast haar hoort ze een stem, maar ze is er zelf helemaal niet bij. Het voelt alsof ze even wegzweeft, alsof ze van boven op zichzelf neerkijkt en medelijden heeft met dat kleine meisje, op die grote wereld. Medelijden voelt ze, medelijden met het meisje, medelijden met zichzelf.
Ze fietst naar huis.
Terug naar de realiteit. Back to reality. Naast haar spreekt een stem. ‘Doe eens blij, waarom ben je zo chagrijnig? Ik ga naast háár fietsen hoor, jij zegt toch niks.’ Het doet een beetje pijn. ‘Waarom vraag je me niet wat
me dwarszit? Waarom laat je me in de steek? Vind je me dan alleen maar interessant als ik lach, en grappig doe?’ Ze fietst naar huis.
Ze denkt aan wat er gister gebeurd is, aan wat er vandaag gebeurde. ‘Is er eigenlijk wel iets gebeurd? Nee, niks bijzonders… Waarom voel ik me dan zo… Zo raar? Zo neerslachtig, verdrietig, stil, moe, saai, verveeld, verdrietig..? Ze heeft gelijk, ik ben niet interessant. Ik heb niks leuks te melden, ik zeg niks, ik staar voor me uit, ik voel het opgewaaide zand in mijn ogen prikken, ik bén gewoon even niet leuk!’
Ze fietst naar huis.
Ze staart naar haar voeten die moeizaam proberen de trappers naar beneden te duwen, wat nauwelijks lukt. Eén keer stampt ze boos het ding naar beneden; ‘…wat is er nou met me aan de hand? Waarom voel ik nou zo?’ Het vooruitzicht over een uur thuis te komen, in een koud, leeg huis waar de stilte heerst, waar de boeken tevoorschijn gehaald, en er geleerd moet worden, geeft haar opnieuw een slecht gevoel.
Ze fietst naar huis.
De laatste 500 meter fietst ze alleen. Nog één heuvel te gaan. Ze kan niet meer. Halverwege de heuvel stopt ze. Even kijkt ze om zich heen, om na een paar seconden te besluiten toch maar verder te fietsen. ‘Ik ben er bijna.’ Het allerlaatste stukje heeft ze wind mee. Ze besluit niet op te geven. ‘Morgen ben ik weer vrolijk.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten